Magnifique Magazine
      

Een kijkje in het leven van de boerin

Het boerenbedrijf was vroeger vooral een gezinsbedrijf. Niet alleen de boer maar ook alle andere gezinsleden waren betrokken bij de dagelijkse bedrijfsvoering en waren daar gezamenlijk voor verantwoordelijk. De gezinsleden hadden allemaal een vastomlijnde taak op de boerderij. Het werk werd zo verdeeld dat de vrouwen voornamelijk het werk in en in de nabijheid van het huis voor hun rekening namen. De mannen deden het voornamelijk zwaardere werk op het land. Omdat hun stukken land vaak erg verspreidt lagen waren zij daardoor van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat van huis. Alle kinderen werkten van jongs af aan mee op de boerderij.

 

 

Het boerengezin

 

De boerengezinnen waren vaak groot. Het gemiddelde aantal kinderen was acht. Mede door de grote invloed van de katholieke kerk was geboortebeperking verboden of onbekend. In de meeste gezinnen stierven een of meerdere kinderen op jonge leeftijd. Doodsoorzaken waren vaak kinderziektes zoals kinkhoest en mazelen. Meestal woonden niet alle kinderen thuis. Wanneer er niet voldoende werk was op de boerderij en de verdiensten nodig waren, gingen enkele kinderen al vanaf hun twaalfde jaar uitwerken en uitwonen. Boerenkinderen waren vaak aangewezen op boerenwerk. Zij verhuurden zich los of vast als knecht of maat. Voor de mannen was er ook de mogelijkheid om te gaan werken in de Peel of in Duitsland. Inwonende knechten en meiden werden meestal beschouwd als lid van het boerengezin.

 

De boerin als spil

 

Omdat de mannen vaak de gehele dag van huis waren, kwamen veel van de dagelijkse bezigheden neer op de schouders van de boerin. Zij was er altijd, ook ’s avonds en op zon en feestdagen als de mannen het café bezochten om te kaarten of te beugelen. Haar werk ging altijd door want ook zondags moest het vee verzorgd worden en de koeien worden gemolken. In de avonduren wachtte de breikous en het verstelwerk. Mede door haar organisatietalent, doorzettingsvermogen en vooral werklust konden veel boerenbedrijfjes het hoofd boven water houden. Het huishouden en de opvoeding van de kinderen kwamen hier nog bovenop.

 

 

De boerin en het werk op het veld

 

Op kleine bedrijven kon de boerin niet op het land worden gemist. Omdat de landbouw nog niet was gemechaniseerd, werd veel werk met de hand gedaan. Wieden, schoffelen en in de oogsttijd het binden van de graanschoven.

 

De boerin en het vee

 

Er was geen enkel onderdeel van het bedrijf waarbij zoveel aan het beleid van de boerin werd overgelaten als bij het voeren van het vee. Er was geen kant-en-klaar veevoer en daarom kwam het op de ervaring van de boerin aan of het vee voorspoedig en gezond opgroeide. Gezond vee zorgde voor inkomsten door de verkoop van boter en eieren en deze taak van de boerin was dis zeer belangrijk. Kalveren werden eerst gevoerd met melk en als ze enkele weken oud waren met kalverpap (melk met tarwe of roggemeel). De koeien werden gevoerd met een mengsel van allerlei groenten, knollen, kaf van het koren, aardappelen, wortelen, gesneden hooi, karnemelk, meel en de resten van de gezinsmaaltijden. Voor de sop moest eerst alles gewassen worden en dan gekookt in de sopketel. Het voeren van het vee was een tijdrovend werk.

 

De boerin en de zuivelbereiding

 

Het melken van koeien bleef tot ver in de twintigste eeuw een taal voor vrouwen. In alle vroegte gingen zij, moederziel alleen, naar vaak ver afgelegen weilanden. Tot op het einde van de negentiende eeuw werd uit de melk op de boerderij zelf zuivel bereid, voornamelijk boter. Voor de boterproductie maakte de boerin gebruik van melkschotels, waarin ze de melk op natuurlijke wijze liet ontromen. Daarna moesten roomlaag en ondermelk met een houten spaan van elkaar worden gescheiden. Wanneer de room voldoende was gezuurd moest deze worden gekarnd. Het karnen gebeurde op kleine boerderijen met de hand, op de grotere bedrijven met een karnrad waarin een hond liep. Na het karnen volgde het kneden van de boter en het opmaken van de kluit. Het was de taak van de boerin om de boter te ruilen of te verkopen op de markt in Venlo of Horst.

 

 

De boerin en haar huishouden

 

Wanneer er voldoende dochters in het gezin waren, kon de boerin het grootste gedeelte van haar tijd aan het huishouden besteden, daarbij vaak nog geholpen door een van de meiden. Op een klein bedrijf kwam het huishouden vaak op de tweede plaats, daar de huishouding in die tijd zeer bewerkelijk was. De huizen waren vrij eenvoudig ingericht en aan poetsen werd relatief weinig tijd besteed. Het bereiden van het eten kostte veel meer tijd. Alle ingrediënten waren afkomstig van het eigen bedrijf. Groenten en fruit kwamen uit de eigen moestuin, die ook tot de zorg van de boerin behoorde. Groenten zoals kool, snijbonen en raapstelen werden ingemaakt in zout, fruit werd gedroogd. Ook de slacht waarbij producten als hoofdkaas, karboet en braadworst werden gemaakt nam elk jaar veel tijd in beslag. De boerin bakte zelf brood en bij feestelijke gelegenheden de vlaai. In de meeste huishouden werd een maal in de twee weken gewassen daar deze bezigheid veel tijd in beslag nam. De boerin maakte zelf vrijwel alle kleding. Alleen de zondagse bovenkleding lieten de mensen in veel gevallen door een kleermaker of naaister maken. Tot aan het begin van de twintigste eeuw nam de boerin ook de bewerking en het spinnen van het vlas zelf ter hand. Het gesponnen vlas werd door thuiswevers tot linnen geweven, waarna de boerin er zelf beddengoed en onderkleding van vervaardigde.

 

 

Wilfred Groot

Met dank aan Geschiedenis van Limburg, Jos Venner